Geen voedselmaker, maar toch dezelfde vraagstukken
Timo Steenwijk
Geen voedsel, wel dezelfde uitdagingen en ambities

Timo Steenwijk voor zijn schuur.
Timo Steenwijk is de vierde generatie die aan de Kaagweg in Abbenes boert. Hij maakte daar de overstap van een gemengd akkerbouwbedrijf naar de bloemen. Eerst teelde hij er met een spuitschema, nu is hij steeds meer gericht op het weerbaarder maken van zijn planten (maar daarover straks meer). Het begon vijfentwintig jaar geleden met een proefveldje van 0,75 hectare. Nu zijn dat zo’n honderd hectare geworden met 60 tot 100 man personeel en een samenwerkingsverband in Polen en Portugal. Best een prestatie om trots op te zijn.
Drie pijlers zorgden ervoor dat Timo vijfentwintig jaar geleden de overstap maakte naar de bloementeelt. Hij wilde telen, er een goede boterham aan kunnen verdienen en ondernemen. In de bloementeelt bleek dit beter mogelijk. De sierteelt is nog een branche met veel verschillende marktpartijen. Hierdoor heb je bijvoorbeeld veel meer keuze in afzetmogelijkheden, is er direct klantcontact en wordt er meer gevraagd van je ondernemersvaardigheden. Dit in tegenstelling tot de akkerbouw en veeteelt, waar de markt behoorlijk geconcentreerd is. Daar heb je bijvoorbeeld maar vijf inkooppartijen en 25 supermarktketens waar je als boer en producent van afhankelijk bent.
Ondernemend zijn en blijven
Timo begon zijn reis als ondernemer alleen maar heeft sinds 2022 een partner; Flip Huigsloot. Timo: “Aan de keukentafel dacht ik wel eens als mijn vader weer over de regelgeving aan het mopperen was ‘ga toch eens met je tijd mee’. Maar misschien zouden anderen dat bij mij nu ook wel (kunnen) denken.” Het partnerschap met Flip ondervangt dat. Met zijn 28 jaar is hij iemand van de volgende generatie én hij komt dus ‘van buiten’. Omdat Flip geen familie is, kan hij makkelijker andere ideeën inbrengen die niet gekleurd worden door, of botsen met, de ervaringen van een eerdere generatie.
‘Met je tijd meegaan’
Timo weer: “Mijn zus zei ooit eens dat het eigenlijk niet eerlijk is als een vader en een zoon (of dochter) in hetzelfde bedrijf zitten. Als het bedrijf automatisch overgaat van ouder op kind. De ouder zit meestal aan het einde van een lange weg met veel veranderingen, ervaringen en experimenten en is toe aan meer rust en stabiliteit. Dat terwijl de zoon of dochter juist nog van alles wil en moet kunnen uitproberen en zijn of haar eigen pad wil kunnen bewandelen. Dat kan elkaar dan behoorlijk bijten.” Het partnerschap met ‘Flip van buiten’ geeft zo meer ruimte voor het vasthouden van vernieuwing en ondernemerschap.
In korte ketens toegevoegde waarde leveren
Bij Steenwijk Abbenes werken ze marktgedreven en met korte ketens. Pas als er door een klant een order is geplaatst, voor bijvoorbeeld een partij zonnebloemen of herfstasters, gaat de teelt in productie. Als de bloemen zijn geoogst, belanden ze op de lopende band en worden ze in de grote schuur aan de Kaagweg door werknemers verpakt en voorzien van een prijscode. Vervolgens worden ze rechtstreeks aan de klant geleverd die ook de order heeft geplaatst. De klant krijgt dus een kant en klaar product, dat zo het schap in kan. De lijntjes tussen vraag en aanbod zijn daardoor lekker kort.
‘Kant-en-Klaar’
Dat is heel anders als je produceert voor een veiling, waar je maar moet afwachten of je product ook voldoet aan een vraag van een klant ergens in de markt. Ook moet je product dan minstens nog één stap in de keten afleggen om in een winkel of bij een klant terecht te komen.

De geoogste bloemen worden meteen verwerkt in boeketten en gaan, met barcode en al, direct naar de klant.
Van spuitschema naar weerbare gewassen
Vijfentwintig jaar geleden begon het dus allemaal. Timo had bij de buren (die al in de bloemen zaten) in een bijbaantje meegedraaid en zo al wat ervaring opgedaan. Dat beviel goed. Bij het gemengde bedrijf van zijn ouders kreeg hij een veldje van 0,75 hectare ter beschikking waarop hij mocht experimenteren met zijn bloemen. “In de vijfentwintig jaar is er wel het één en ander veranderd. In het begin werd er bijvoorbeeld automatisch tegen ziektes gespoten. Maar als je spuit, dan spuit je ook je natuurlijke vijanden dood, dat is doodzonde. Dus nu zitten we veel meer op het weerbaar maken van ons gewas, zodat het beter bestand is tegen ziekte en uitzonderlijke weersomstandigheden.
Ons volume is daardoor omhooggegaan en ons gebruik van middelen omlaag. We zitten dus ook steeds minder op de voedingskant van de bodem maar meer op het sterk maken van de plant zelf. Van stikstof , fosfor en kalium toevoegen aan de bodem, letten we nu veel meer op het aanvullen van micro-elementen*. Dat zijn voedingsstoffen die planten in veel kleinere hoeveelheden nodig hebben, maar die essentieel zijn voor het goed functioneren van het organisme.”
Wat heeft geholpen bij deze andere manier van telen en kijken naar je gewas en bodem, is de verandering van de adviseur. Ze hebben er nu een die niet verbonden is aan de verkoop van een product en gewoon per uur betaald wordt. Hij kan daardoor veel onafhankelijker advies geven. En natuurlijk heeft ook het gewoon uitproberen en op je snufferd gaan geholpen bij de groei en verduurzaming.

De wortels van de pioenen worden in kleinere stukken gesneden. Uit ieder stuk komen nieuwe planten.
Werken met bloemrijke akkerranden
Zo werken ze (ook gestimuleerd vanuit het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer) met bloemrijke akkerranden langs hun bloementeeltbedden. Dit lijkt misschien best raar; bloemenranden langs bloementeeltbedden, maar de bloemen op de teeltbedden komen natuurlijk niet of nauwelijks tot bloei (pas later, bij de klant thuis). De bloemen in de akkerranden bloeien daarentegen wel. Ze zorgen zo voor voedsel voor allerlei insecten, die op hun beurt weer zorgen voor natuurlijke bestrijding van allerlei schadelijke beestjes in de bloementeeltbedden.
“De bloemen helpen de bloemen”
Dat merken ze in het bedrijf bijvoorbeeld bij hun zomerasters. Die telen ze in 15 rondes, zodat ze 15 keer kunnen oogsten (en dus 15 keer achter elkaar kunnen leveren). De eerste twee of drie rondes hebben ze vaak last van luizen, daarna (als de akkerranden in de bloei staan) veel minder door de natuurlijke vijanden uit de akkerranden. Zelfs in het midden van het teeltbed is dat te merken. Er zit wel een nadeel aan, want het geeft – zeker langs de randen – veel meer onkruiddruk. Onkruid dat met de hand verwijderd moet worden. Maar dat hebben ze ervoor over.
Een ander voorbeeld van duurzame teelt is dat tijdens het verpakkingsproces het bladsnoeisel wordt afgevangen. Daar wordt humus van gemaakt en dat vormt weer prima voedsel voor de bodem van een volgende teeltronde.
Certificering
Ook zijn ze al heel lang GLOBALG.A.P. en GRASP** gecertificeerd. Dit zijn certificeringen voor duurzame bedrijfsvoering. Daarin lopen ze nog steeds voorop. Dat wil Timo ook. Hij hoeft niet de allereerste te zijn, maar wil wel voor de grote bups uit blijven lopen.
De GLOBAL G.A.P certificering bestaat nu uit drie elementen; een registratie deel, een sociale module en een GAP (Good Agriculture Practice) module. In die GAP-module word je wel gevraagd om een milieuplan, maar als je alles doet zoals gevraagd (en dat hoeft helemaal geen vermindering van je footprint te betekenen), dan haal je toch je certificaat. Timo zou het mooier vinden als ze minder gaan letten op het zetten van vinkjes in een proces en meer gaan kijken naar je daadwerkelijke footprint. Het gaat immers om de impact.
Filosoferen over de toekomst
Wat zou helpen om de agrarische sector in de breedte nog verder te verduurzamen? Naast kijken naar je footprint, helpt het ook om daar te produceren waar de vraag is, vindt Timo. Dus als de klant in Polen zit, laat de teelt dan ook in Polen plaatsvinden. Dat is ook een manier om een korte keten in te vullen.
De grond langdurig in je bezit hebben helpt ook. Immers, als je je grond langer kunt betelen, dan is gezonde bodem je basis en ben je er veel zuiniger op. Bij (kortdurende) pachtconstructies is een boer veel eerder gericht op maximale opbrengst en vaak minder op zorgen voor de bodem. Daar plukt hij immers de vruchten niet meer van.
Te snel? Of net snel genoeg?
“Na de 2e wereldoorlog was de voedselproductie vooral gericht op voedselzekerheid en het zo veel mogelijk produceren voor zo weinig mogelijk geld. Nu verandert de vraag vanuit de samenleving. Die wil nog steeds veel voor weinig, maar dan wel milieuvriendelijk geteeld. Daar moet je op inspelen anders doe je niet meer mee.”
Vervolgens vragen we ons hardop af of die ontwikkeling nu te snel gaat. Is de druk om te veranderen te groot voor de sector? Of heeft de sector die druk juist nodig om de urgentie te voelen? De conclusie is dat het wel een dun lijntje is. Een dun lijntje tussen net genoeg druk om dat zetje tot verandering te geven. Of net te veel druk waardoor je de sector te weinig ruimte geeft om de verandering ook zelf vorm te kunnen geven.
“Het is een dun lijntje tussen wel of niet veranderen”
“We zouden veel meer gebruik kunnen maken van de bestaande kennis in de land- en tuinbouw in plaats van te snel, te veel anders willen doen. Geef tijd en ruimte om de omschakeling te maken” vindt Timo. “Aan de andere kant is het fijn om uitgedaagd te worden. Dat spoort het ondernemen aan. Maar zorg dan wel voor een gelijk speelveld. In Nederland en Europa is dat nog wel oké geregeld, maar daarbuiten is dat echt een uitdaging.”
Over 10 jaar
Waar staat Steenwijk Abbenes over 10 jaar? “Dan zijn we verder opgeschoven in de keten. Die is dan nog korter door bijvoorbeeld nog meer Jumbo klanten. We telen dan meer biologisch. Dat wil zeggen met groenere middelen en minder met chemische of synthetische middelen. Qua volume zijn we misschien ook wel groter en doen we waarschijnlijk meer automatisch. Ook denk ik dat we dan meer productie in het buitenland hebben, zodat we dichter bij de vraag kunnen telen.”
Het is duidelijk dat er nog volop leven in de ambities van Timo zit. Hij heeft het nog niet over rust en stabiliteit. Waar het zaadje ooit geplant werd door een bijbaan bij de buren en een proefveldje in Abbenes, groeit het bedrijf steeds duurzamer verder, zelfs Europa in. En zo gaat hij met zijn tijd mee.
* Micro-elementen (of sporenelementen) zijn voedingsstoffen die planten in veel kleinere hoeveelheden nodig hebben, maar die essentieel zijn voor het goed functioneren van het organisme, zoals ijzer, zink, mangaan, boor en koper. Macronutriënten geven calorieën, dat wil zeggen, energie. Het zijn vetten, koolhydraten en eiwitten. Micronutriënten spelen geen energetische rol maar zijn onontbeerlijk voor het goed functioneren van het organisme.
** GLOBALG.A.P. gecertificeerd zijn betekent dat een bedrijf voldoet aan internationale standaarden voor voedselveiligheid, duurzaamheid en kwaliteitsbeheer in de landbouw. GRASP is een vrijwillige module die hieraan wordt toegevoegd en richt zich specifiek op sociale aspecten, zoals de gezondheid, veiligheid en het welzijn van werknemers, arbeidsomstandigheden en rechten van werknemers.
